dinsdag 29 november 2011

Twee meisjes lopen hand in hand

Een zaterdagochtend in een levendige wijk naast het Zuidstation. Twee meisjes lopen hand in hand. Niets uitzonderlijk, je zou zelf kunnen zeggen dat het deel uitmaakt van het straatbeeld. Die dag worden ze nochtans gewelddadig aangevallen. Een paar vuistslagen, een gebroken neus, bebloed gezicht, verschillende blauwe plekken. De aanvaller zegt niets, neemt geen gevallen handtassen mee, hij loopt rustig weg zoals hij gekomen is. Het is zijn wijk, hij doet wat hij wil en terwijl het plein volzit met mensen, reageert niemand.
Verschillende versies circuleren. Zou het gaan om iemand die niet wilde aanvaarden dat de meisjes hand in hand rondliepen, dat ze elkaar misschien graag zien, dat ze hun liefde niet willen verbergen? Zou het gaan om iemand die daar niet teveel problemen mee heeft, maar die hen daarentegen wilde versieren en geen weigering aanvaardde? We zullen het niet weten, we zijn geen onderzoekers noch rechters. Uiteindelijk zouden we kunnen zeggen dat klootzakken altijd zullen bestaan. Dat het er niet om gaat om op te roepen voor meer flikken op straat, om zelfs helemaal geen beroep op hen te doen, maar om de zelfverdediging tegenover aanvallen op je integriteit in handen te nemen - ook al weten we dat dit de kwestie niet fundamenteel aanpakt. Het probleem voor mij is niet alleen die klootzak, maar de afwezigheid van reactie van alle andere mensen in de buurt. Alsof het ook zonder teveel gedoe deel kan uitmaken van de menselijke verhoudingen.
Diegenen die van het incident gebruik maakten om op te roepen tot meer repressie en de stigmatisering van een deel van de bevolking zullen in ons geen medeplichtigen vinden. Het lijkt me daarentegen wel belangrijk om erover te praten, van persoon tot persoon.
Het gebeurde eind augustus, in de Stalingrad-wijk. Die wijk heeft een symbolische waarde voor mij. Tijdens de hele zomer werden er open assemblees gehouden in de straat, rond de kwestie van mensen zonder papieren en gesloten centra. Heel wat vormen van onderdrukking kwamen aan bod en gedurende verschillende maanden hadden we elke avond afspraak om te praten over collectieve en individuele manieren om zich te verzetten, om te vechten. Er gebeurde iets magisch, we kwamen samen onder mensen met papieren, mensen zonder papieren, mannen, vrouwen, europeanen, afrikanen. Een mooie mix die zuurstof gaf aan de vraag “hoe kunnen we de onderdrukking die we niet meer willen ondergaan trotseren”? We praatten over revolte, woede, vrijheid, geluk in kleine dingen.
Uiteraard is niets super en perfect hoe we het zouden willen, maar het was al een goed begin. Een ervaring die toont dat we in staat zijn om sommige a priori's en vaststaande ideeën te overstijgen in momenten dat we ervaringen van strijd delen.
Op dezelfde plek, slechts enkele weken na het einde van de ontmoetingen gebeurt er zoiets.
Gedurende een bepaalde tijd vloog er een wind van vrijheid doorheen Stalingrad. Een briesje dat zeer fragiel is, ze kan meteen weer wegvliegen. De vrijheid vliegt weg wanneer een vrouw de avances van een man niet mag weigeren zonder in elkaar geslagen te worden. Wanneer een vrouw enkel goed is om de regels van hun man of grote broer te volgen. Wanneer een koppel buiten de heteroseksuele normen het recht hebben om slagen te krijgen. Alsof liefde een kwestie is van vaste regels, dictaten om te volgen, een drang om te onderdrukken, in de naam van wat? Van de gemeenschap die je nauwlettend in het oog houdt, van religieuze mannen die pretenderen meesters te zijn van iedereen? Van een onzekerheid om je verlangens te volgen en je te durven confronteren met diegenen die ons willen muilkorven, die ons willen opsluiten in hun hokjes.